De gifput van Woltersum
In 1974 werkte ik bij de Vrije
Studierichting Chemie aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Een afdeling opgericht om
kennis te verwerven over het energievraagstuk. En daartoe maatschappelijk nuttig onderzoek te doen. Dat was vlak na de
oliecrisis actueel. Naast het reguliere werk waren er ook bijzondere voorvallen. Zo
verscheen daar in de zomer een milieuactivist, Klaas Bieze.
Hij vertelde over veel chemisch afval in een oud zwembad aan de Bouwerschapsweg. In een
bocht van de weg halverwege Ten Boer en Woltersum. Die kennis had Bieze in de voorgaande
jaren verzameld. Door met zijn brommer voor de poort van chemische fabrieken in de regio
te gaan staan. Om indien er verdachte vrachtwagens vertrokken, deze naar de plaats van
bestemming te volgen.
Een paar studenten wilden wel
onderzoek doen. Ik had ook belangstelling, want ik was een paar maanden eerder gekozen als
raadslid in de gemeente Ten Boer. En bovendien had mijn moeder thuis nog een foto van vlak voor de oorlog. Samen met een groep jonge vrouwen poseerde ze op de duikplank in het natuurbad. Dat was na de oorlog in
verval geraakt. En werd nu in de volksmond de gifput van Woltersum genoemd.
Op een mooie zonnige ochtend gingen
we met zijn drieën in mijn witte Volkswagen kever naar het oude zwembad. Ongeveer een
halve hectare oppervlak. Het lag tot op het maaiveld vol met een mengsel van klei, half
doorgeroeste vaten en los chemisch afval. Het geheel was grotendeels begroeid met dor gras
en riet. We namen een aantal monsters van het slootwater rond het voormalige bad en ook
van de vaste stoffen aan de oppervlakte. En leverden de glazen potjes af in het
laboratorium, waar de inhoud zou worden onderzocht.
Diezelfde avond hoorde ik in Ten
Boer dat de gifput die dag in de brand had gestaan, de brandweer was uitgerukt om het vuur
te blussen. Ik schrok, want het was in die tijd nog gebruikelijk om halfzware shag te
roken. Dat had ik bij het onderzoek op de stortplaats ook gedaan. Ik zag als mogelijke
brandstichter mijn toekomstige loopbaan in de gemeenteraad al in de knop gebroken.
De volgende dag stond in het
Nieuwsblad van het Noorden een groot artikel over de brand. Inwoners van Woltersum
vertelden de journalist dat ze in de ochtend drie mannen met een witte Volkswagen bij de
gifput hadden gezien. Er werd gesuggereerd dat zij de gevaarlijke brand hadden
veroorzaakt. Het beste leek mij burgemeester Liese van Ten Boer te informeren. Die stelde
mij die avond gelukkig gerust. Met toestemming van de gemeentewerken had een sloopbedrijf
een vracht snoeihout uit de nieuw te bouwen wijk Kloostermolen afgevoerd. En aan de rand
van de gifput in brand gestoken. Door de stevige oostenwind was het vuur overgesprongen en
het dorre riet boven het chemisch afval had zo vlam gevat.
Terwijl het chemisch onderzoek nog
gaande was kon ik het dossier over de gifput bij de gemeente inzien. In de zestiger jaren
was aan het bedrijf Kappen (gespecialiseerd in elektrisch schoorsteenvegen) uit Delfzijl
een hinderwet vergunning afgeven voor het storten van fabrieksafval. Het oude zwembad was
in een aantal jaren volgestort met chemisch afval van de tereftaalzuurfabriek van Petrochemie (AKU-AMOCO) in Delfzijl. De gifput
bevatte ondermeer enkele tientallen tonnen zware metalen die bij het proces in de fabriek
werden gebruikt. Het onderzoek van de studenten gaf aan dat in het slootwater hoge
concentraties kobalt en nikkel voorkwamen. Jaren later is de gifput afgedekt, het was te
duur om hem leeg te halen. Zo ligt het chemisch afval er nu, dertig jaar later, nog.
In het dossier van de gemeente zat
een briefwisseling, karakteristiek voor het milieubeleid eind zestiger jaren. De dominee
van Woltersum fietste destijds regelmatig langs de gifput en schreef een brief aan de
burgemeester. Dat het oude zwembad zo vies was. Of er iets aan te doen was. Want het
wemelde er volgens hem van muskieten en ander ongedierte. Burgemeester Liese antwoordde
hem dat dit laatste gelet op de inhoud
van het zwembad niet erg waarschijnlijk was. Een inzicht wat voor de dominee toen
kennelijk voldoende was om zich bij neer te leggen.
Cor Uitham, 20 september 2004