Literair vuur aan de schenen

Na mijn lagere school in Adorp moest een keuze gemaakt worden voor het vervolgonderwijs. Mijn vader vond het in die tijd vooral belangrijk dat je een hooivork goed wist te hanteren. Maar mijn moeder had verdergaande ambities voor mijn ontwikkeling. Zij werkte voor haar huwelijk in de huishouding bij een dominee. Het was haar daar opgevallen dat alle domineeskinderen de middelbare school bezochten. Ook al hadden ze bij het uitdelen van de hersenen (door de Heer) niet voorop gestaan. Daarom werd besloten dat ik, ter voorbereiding op het toelatingsexamen aan de Rijks HBS, een speciale klas aan de Klaas de Vriesschool zou volgen. Deze school stond aan het Noorderplantsoen in Groningen.

Een jaar lang, behalve de zondag, ging ik elke dag op de fiets heen en weer tussen Adorp en de stad. In de herfst en winter werd de fietstocht langs het kanaal vaak bedorven door het slechte weer. Op de spoorbrug over het Van Starckenborghkanaal, net buiten de stad, stond met grote witgekalkte letters “Kiest CPN”. Ik moest dan nog een heel eind tegen een gure noordwesten wind intrappen. Ik heb er aan overgehouden dat ik later, bij discussies over het communisme,  meestal werd overvallen door een lichte huivering. Op de zaterdag haalde ik op de terugweg van school vaak eendeneieren bij achterneef Max Uitham. Die had achter de eerste boerderij op Noorderhogebrug een grote eendenpoel. Eendeneieren waren niet duur. Ik kreeg ze door de week dubbel gebakken en met veel zout mee als broodbeleg. Die boterhammen kon ik dan met een gekocht glas melk tijdens de middagpauze opeten. De nieuwe wachtkamer van “de Marnedienst” aan het begin van de Bedumerweg bood daartoe onderdak.

Van de voorbereidingsklas aan de Klaas de Vriesschool maakte alleen het gymnastieklokaal aan de Violenstraat een blijvende indruk. De gymnastiekleraar Hendriks was kaal en reed brommer, meestal gekleed in  een lange leren jas. Hij was heel goed in het opzetten van de apenkooi. Ik werd door hem overgehaald lid te worden van de atletiekclub Pegasus, waarvan hij de trainer was. Vanwege mijn lange benen was ik mogelijk een goede langeafstandsloper. Als clubtenue droegen we een blauw bliksemflitsbroekje. Mijn atletische ambities verdwenen helaas een paar jaar later in de rook van halfzware shag.  

De Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat in Groningen was een imposant gebouw met een forse leisteen trap bij de hoofdingang. “Rijks Hoogere Burgerschool” stond met gouden letters boven deze ingang. Er waren twee verdiepingen met hoge leslokalen. Voorts was er aan de Grote Kruisstraat een vrijstaand scheikundegebouw met een als theater ingericht leslokaal, daarnaast het laboratorium en op de bovenverdieping het tekenlokaal. Ook het gymnastieklokaal stond los achterop het schoolterrein.

De leraren waren in meerderheid wat oudere mannen, vaak ook gepromoveerd in hun vak. Alleen voor de niet exacte vakken werd ook les gegeven door vrouwen. Veel docenten hadden bijnamen, zoals “De Baas” voor de directeur, “Jubel” voor de zangleraar of “Kruimel” voor de geschiedenisleraar. Soms hingen deze bijnamen samen met hun functie of gestalte. Van de hoogblonde lerares Engels – “Rooie Annie” – ging echter het gerucht dat de bijnaam was ontstaan omdat er,  toen ze een keer van de trap struikelde,  een rode onderbroek zichtbaar werd. Ze was niet erg populair omdat ze iedere les de voorgaande uit het leerboek “How to put it” schriftelijk overhoorde op een doormidden gescheurd schriftblaadje. Als je tijdens deze schriftelijke overhoring te duidelijk naar het blaadje van je buurman keek, werd dat bestraft met tien nullen. Zo kon het gebeuren dat de cijfers voor Engels per rapport soms sterke verschillen vertoonden.

Tekenles kregen we van de jonge kunstenaar Martin Tissing. Hij was de enige leraar die een vriend van mij toestemming gaf om tijdens de les handtekeningen te verzamelen voor een actie van de AJC tegen de Franse interventie in Algerije.

Voor het vak Nederlands hadden we de markante figuur Willem Diemer. Hij maakte de lessen boeiend door vrijwel uitsluitend aandacht te geven aan recente poëzie. Zoals J.J. Slauerhoff, maar zijn  favoriet was de dichter Jan Engelman. “Groen is gong. Groen is de watergong. Waterwee, watergong. Groen is de gong van de zee.”  Om een rapportcijfer te verkrijgen onderbrak hij aan het eind van het seizoen de poëzie. En gaf plotseling opdracht in één week de literatuurgeschiedenis vanaf de vroege middeleeuwen tot en met de Tachtigers te bestuderen. We hebben toen afgesproken bij dat proefwerk te staken en bleven als hele klas met het lege proefwerkpapier zitten. Diemer werd heel kwaad en dreigde ons het literaire vuur na aan de schenen te zullen leggen. De leerlingen moesten uiteindelijk om de beurt naar voren komen, waarbij hij telkens een nul op het lege proefwerkpapier plaatste. Om te voorkomen dat de hele klas met de kerst met een nul voor Nederlands naar huis zou gaan, heeft directeur Groenman nog bemiddeld door het cijfer uit het voorgaande rapport in te laten vullen.

Ik deed na vijf jaar in 1963 zonder veel problemen eindexamen. En besloot toen vanwege een hoog cijfer voor Scheikunde dat vak te gaan studeren. Maar dat is een ander verhaal. 

Cor Uitham

Februari 2008