Plat als een dubbeltje
Meer dan veertig jaar geleden, in de eerste helft van de zestiger jaren woonde ik in Garmerwolde. Op een oude boerderij tussen het kerkhof en de Stadsweg richting Ridderborg aan het Thesingermaar. Mijn vader verkreeg daar een inkomen voor het gezin door een twintigtal koeien te melken. En verder alle handwerk wat daarbij gedaan moest worden. Het hele gezin was noodzakelijkerwijs betrokken. Gras maaien en hooien gebeurde met de traditionele hulpmiddelen. Uit de welput in de stal werd bruin grondwater opgepompt. Dat werd in de winter in grote emmers voor de koeien gezet. Want er was thuis nog geen waterleiding. Wel kwam rond 1960 op de hoek van de W.F. Hildebrandstraat een nieuw Groene Kruisgebouw met douches tot stand. Daar kon je één keer in de week op de zaterdagmiddag een warme douche nemen. Tientallen Garmerwolders deden dat in die tijd. Het vee kreeg op stal ingekuild gras gevoerd. Dat stonk enorm en het was door de week niet mogelijk te douchen. Ik vreesde dan, dat ze het in de klas zouden ruiken. Gelukkig moest ik s ochtends wel drie kwartier op de fiets naar de Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat in Groningen. De indringende geur van het rottende en gistende gras in mijn kleren was dan wel grotendeels weggewaaid. Want meestal moest je s ochtends tegen de westenwind in trappen.
De boerderij stond met de kont naar de weg. Zo werd dat toen gezegd. Daarom was er altijd een hond. Bij donker verbleef hij in de schuur, overdag op het erf. De hond moest bij onraad alarm slaan. Meestal werkte dat wel. Maar één keer hadden we een hond, Barry. Die stopte juist met blaffen als er vreemd volk aankwam. Andere honden waren Kees, Boris of Rex en Tyras. Bij de kruidenierswinkel van Azing Maat in Garmerwolde of Tonnis Dijkema in Thesinge had je toen geen hondenvoer. De hond vrat mee wat de pot thuis schafte. Een restant aangebrande boerenkool met wat spekvet. De graten, de kop en staart van een gerookte bokking. Of oud en schimmelig brood met een scheut melk. Dat werd in een ronde bak voor in de schuur gedaan. Die bak werd één keer per half jaar schoon gemaakt. In het voorjaar was er de nageboorte bij het kalven van de koeien. Dat was een lekkernij voor de hond. Daar kon hij weer weken op vooruit. Op verschillende plekken op het erf werd dat voedsel door het beest verstopt of begraven. Honden vonden het rottend erg lekker. Maar ik moest altijd op mijn maag letten als ik er buiten per ongeluk op trapte.
De hond ging in de zomer mee met de wipkar van mijn vader. In het weiland werden de koeien gemolken. Die melk werd destijds gereinigd door een zeef bovenop de melkbus. Met daarin twee filters van fijn katoenwol. Als het melken afgelopen was kreeg de hond de met melk doordrenkte watten. Die lekkernij werd in twee happen naar binnen gewerkt. Vaak zag je dan in de loop van de dag de hond nerveus door het weiland rennen. Hij maakte vreemde bochten. Dat was om de watten uit zijn darmen kwijt te raken. Meestal lukte dat wel. Maar Barry ging er vermoedelijk jong aan dood.
Een hond was in die tijd hoofdzakelijk een nuttig schuurfenomeen. Om de ratten te vangen, die op het kippenvoer afkwamen. In de schuur was ook een kolenkok. Met turf, briketten of eierkolen. En een grote hoop antraciet. Althans aan het begin van de winter. Om de kachels aan te maken en in brand te houden. Omdat hij niet naar buiten kon, deed de hond zijn behoefte in de antraciethoop. Dat gaf wel eens complicaties als je in het donker een kolenkit met brandstof moest vullen. Op die manier werd de hond toch nog een beetje een huisdier. Ik ergerde me hier vreselijk aan als de kachel zo moest worden bijgevuld en er visite was.
We hadden in de zomer van 1961 een nieuw zwart hondje gekregen. Hij was zes weken oud, het beestje had nog geen naam. In de schuur stonden een aantal wagens met hooi. Die moesten wachten om leeggemaakt te worden. Want dat was een heel inspannend werk. Vooral als het hoger opgetast moest worden. Op een dag werd een wagen met hooi een eind teruggeduwd, om voor het juiste vak te komen. Dat was het einde van het hondje. Zo plat als een dubbeltje. Hij had voor een achterwiel liggen slapen. Ik vond het wel wat triest en mijn jongste broertje huilde. Maar mijn vader zei dat we niet moesten treuren. Hij zou komende zondag een nieuwe hond halen. Door de week was het daarvoor te druk. En mijn broertje kreeg wat later - om het te vergeten - een paar kleine geitjes. Want die kon je als ze ouder werden ook nog opeten. Maar dat werd ons toen niet verteld.
Cor Uitham, 19 augustus 2004