De beste
schutter
In het
voorjaar van 1963 deed ik eindexamen aan de Rijks HBS in Groningen. De bedoeling was
chemie te gaan studeren, maar ik kreeg geen uitstel voor militaire dienst. Het was
dus zaak niet te veel tijd te verliezen, daarom werd een verzoek ingediend om vervroegd
opgeroepen te worden. De medische keuring was in de kazerne aan het Engelse Kamp in
Groningen. Mij staat nog bij dat er tijdens die keuring lauwe koffie met een groene
schutkleur werd geschonken.
Helaas
miste ik een halve duim lengte om afgekeurd te worden. Twee meter was toen de grens. Een
lui rechteroog was ook geen probleem. Men gebruikte in het leger nogal kromme geweren, zei
de keuringsarts. Daardoor kon ik in principe tot de beste schutters behoren. En bovendien,
als ik op de Sovjetsoldaten moest mikken en miste, dan raakte ik immers toch wel de
politieke commissarissen, die er schuin achter waren verscholen.
In de
voorgaande periode was de internationale situatie gespannen: Algerije, Berlijn, Nieuw Guinea, de Cuba crisis.
Ik wist er weinig van, was alleen over de oorlog in Algerije enigszins geïnformeerd. En ik had thuis op televisie debatten in de Kamer
over Nieuw Guinea gezien. Een opgewonden KVP kamerlid verloor op het spreekgestoelte zijn
kunstgebit. Ik had daarom voorkeur ingelijfd te worden bij de geneeskundige troepen in
Amersfoort. Eind november 1963 - een paar dagen na de moord op Kennedy - moest ik mij
melden bij de cavalerie. In de Prins Willem III kazerne. Toch ook in Amersfoort.
In het
begin werden ons de militaire beginselen bijgebracht. Wij waren geen soldaat maar huzaar,
met een zwarte baret, die je ver over het rechteroor moest trekken. Dat was heel bijzonder
zei de wachtmeester. Die was een deel van zijn neus kwijt. Hij had vroeger kennelijk bij
een oefening een handgranaat niet tijdig weggegooid. We leerden hoe een strozak te vullen
en de persoonlijke uitrusting in een kast overzichtelijk op te bergen. Dit laatste om in
geval van oorlog snel de belangrijkste spullen mee te kunnen nemen.
Politieke
scholing was er ook. In een grote zaal hing een wereldkaart, die voor de helft rood was
gekleurd. Daar zat de vijand. De Sovjet Unie, Oost Europa, China en Cuba. De bolsjewieken
en communisten, dat waren geduchte tegenstanders en vechters. Maar niet te vertrouwen zei
de ritmeester, die de les gaf. Tijdens oefeningen in Duitsland was iedere vrouw, die je in
het café tegenkwam, een KGB agent. Het was dus zaak het militaire handwerk met overgave
onder de knie te krijgen.
We moesten
het Handboek Soldaat bestuderen. Daarin stond dat het er niet om ging de
vijand te doden, maar om hem uit te schakelen. Je kreeg daarentegen wel de hoogste
waardering als je bij schietoefeningen het houten doel in het hoofd raakte. Voorts werd
ons geleerd hoe te handelen bij nucleaire en chemische oorlogshandelingen. In het eerste
geval was het beste je af te wenden en handen voor de ogen te houden. In de laatste
omstandigheid voor de neus en de mond. Totdat
je het gasmasker had opgezet. Je kwam handen tekort.
Ook werd je
enigszins geëmancipeerd. Je moest het bed regelmatig opschudden en alle hoeken en richels
van de kast afstoffen. Je leerde verder knopen aan te naaien, het eerste grijs strijken,
laarzen poetsen en het bestek schuren. De vouw bleef het best in de broek zitten als
tijdens het strijken een - door stevige verkoudheid - vochtige groene zakdoek werd
gebruikt. Er was veel sport. Met één hand boven water het zwembad oversteken, dat was
een bijzonderheid.
Een klein
aantal rekruten kreeg heimwee en verdween na korte tijd. Dat kon door -dwars over het
kazerneplein - poedelnaakt naar de ingang van de wachtcommandant te rennen. Of via de
zolder op het dak van het hoge kazernegebouw te klimmen en luidkeels te roepen dat je er
af zou springen. Dan kreeg men S5 en werd afgekeurd. Ik was te gezagsgetrouw om via deze
route het leger te verlaten. En er werd ook gezegd dat je met S5 in het burgerbestaan
nooit een fatsoenlijke baan zou vinden.
De
cavaleriekazerne in Amersfoort was een oud en vies gebouw. Aan de buitenmuren zaten hier
en daar nog ringen om de paarden vast te zetten. Douchen deed je één keer in de week met
het hele peloton tegelijk. Bij vrieskou vijfhonderd meter buitenom in de onderbroek naar
het badhok rennen. Het kwam regelmatig voor dat bij vertrek voor een weekendverlof, bij de uitgangspoort van de kazerne medicijnen
tegen nekkramp werden toegediend.
Tijdens het
marcheren liep ik als langste voorop. De meeste huzaren waren daarentegen nogal klein van
stuk. Een aantal werkte in de kolenmijnen in Limburg. Kennelijk waren ze geselecteerd
omdat ze gewend waren in een kleine ruimte productief te zijn. De zitplaatsen voor de
bemanning van een AMX tank lieten geen lange ledematen toe.
Ik kon moeilijkheden veroorzaken door lange passen te nemen. De kleintjes achter in
de marcherende groep liepen dan bijna het kruis uit hun broek.
Eind
januari 1964 werd mijn basisopleiding onderbroken. Ik kreeg tijdens het weekverlof op een
dansfeestje in café de Unie een vastzittende meniscus. Dat kwam door een stevige dochter
van Niestijl (in het Gronings Nijstiel) uit Klein Harkstede. Die viel gedurende een
stoelendans veel te hard op mijn knieën. Zo
kwam ik in het militaire medische circuit terecht. Maar dat is een verhaal op zich.