Ik bezocht de lagere school in Adorp. Vanaf 1950 tot 1956. Het
schoolgebouw stond aan de Torenweg tegenover de kerk. Het betegelde schoolplein met een
zandbak in de hoek was aan de voorkant. Daar werd vaak gespeeld met knikkers van gedroogde
klei. Naast de school stond de onderwijzerswoning. Aan de andere kant was de groentetuin
van Brildje en Knoest. Dat waren twee oude timmerlieden, waarvan de jongste
een bril droeg. Zij hadden de gewoonte om de rubberballen, die vanaf het schoolplein
tussen de boerenkool en de prei belanden, middendoor te snijden. Ook als je hun er netjes
om vroeg kwam er nooit één kaatsbal heel terug. Tegenover de ingangsdeur van de school
was een deels overdekt fietsenhok. Er stonden nooit veel fietsen. Want het was algemeen
bekend dat je met een brandglas de mica bekleding van de handgrepen of de jasbeschermers
kon laten smeulen en branden. Ik denk dat hier al de basis werd gelegd voor mijn latere
keuze om scheikunde te gaan studeren.
Het schoolgebouw bestond uit drie hoge lokalen met daarachter een
brede gang met toiletten, kapstokken en genummerde houten opbergvakken voor de klompen. De
toiletten werden in die tijd nog dagelijks schoongemaakt en ontsmet met lysol. Aan het eind van de gang was het donkere kolenhok.
Daarmee werd gedreigd als een leerling zich in de klas misdroeg. Het middelste lokaal werd
gebruikt als een soort gymnastieklokaal voor het vak lichamelijke opvoeding. Daar waren
ook opbergkasten voor leermiddelen en voor enkele tientallen bruingekafte leesboeken. Je
kon op eigen initiatief een boek lenen om ook thuis te lezen. Er waren veel titels over de
koloniale geschiedenis.
Aan de uiteinden van de gang waren de beide leslokalen. Met drie
rijen schoolbanken. De leerlingen zaten tot de vierde
klas in het verste lokaal bij de juffrouw. In mijn geval was dat juf Werkman. Zij was
een dochter van de politieagent Werkman. Eén van de vier dienders die in 1929 bij een
poging tot arrestatie door de beruchte IJje Wijkstra was doodgeschoten. Juf Werkman was
aardig. Ik huilde snel in die tijd. Dan nam ze mij op schoot. Tot het over was. Ik heb aan
de eerste drie klassen verder niet veel herinnering. Alleen het schoolfeest op
Koninginnedag. Dan kreeg je een beker hele dunne ranja uit een melkbus. De ramen van de
klas waren erg hoog, je kon buiten alleen de wolken en een deel van het dak van de kerk
zien. Ik nam vanuit school ook vaak de krant mee naar huis. Die werden toen via de
streekbus van de Marnedienst bij de bushalte in het dorp afgeleverd. Ik heb daarbij nog
altijd het beeld voor ogen van een grote foto op de voorpagina. Met daarop het opgebaarde
lijk van Stalin. Maar het leek mij toen net alsof hij nog leefde.
De hoogste klassen hadden als onderwijzer meester Martens. Hij
maakte het leerproces spannend door er een wedstrijdkarakter aan te geven. Op de
vrijdagmiddag schreef hij altijd een ingewikkelde rekensom op het bord. Soms een
staartdeling, maar ook vaak een samengestelde breuk. Als je die als eerste goed had, kreeg
je een 10 + . Ik heb vaak met Frederik Bisschop, die naast mij zat, om de plus
moeten rennen. Ze werden op de binnenzijde van de kaft van het rekenschriftje bijgehouden.
Ook de aardrijkskundeles kende een beloning. Je moest met de
aanwijsstok voor een grote wereldkaart gaan staan. De hele klas deed mee, door moeilijke
steden of rivieren te noemen. Zoals Katmandoe, de Dnjepr of de Bug en Bandoeng. Degene die
het langst de plaatsen goed aanwees kreeg een gouden medaille. Daarnaast had je nog
zilveren, bronzen en vetleren medailles. De onderwijzer deelde die beloningen op een
venijnige manier uit. Door dwars door de trui of bloes, met zijn duim en wijsvinger je
tepel een kwartslag te draaien. Ik weet niet meer of hij dat ook bij de meisjes deed.
De zanglessen waren een hoogtepunt. Want meester Jo Martens
begeleidde daarbij met de viool. Hij hield dan zijn ogen gesloten. Terwijl het puntje van
zijn tong in het tempo van de strijkstok mee heen en weer bewoog. Wij hadden vaak een
liedje met als een soort refrein Ho Jo, Ho Jo . We zongen in plaats daarvan
Jo vlo, Jo vlo. Meester Martns begon dan woedend met de strijkstok rond te
slaan.
De meester had een speciale verhoogde lessenaar met een zetel, om
de klas te kunnen overzien. Dat had een keer bijna een ongeluk met fatale afloop tot
gevolg. De met antraciet en cokes gestookte kachel gaf kolendamp. De koolmonoxide
verzamelde zich in eerste instantie onder in de klas. Meester Martens bleef er het langst
met zijn neus boven. Pas toen enkele leerlingen flauwvielen kreeg hij het in de gaten. De
jongste dochter van Reiber aan de Provinciale weg richting Groningen is er weken ziek van
geweest.
Cor Uitham, 26 augustus 2004